10 training principes die mij een bovengemiddelde clubspeler maakte, deel 1: aan tafel
Deel 1 gaat over hoe ik mijn training inricht, deel 2 over je hoofd, je plan en je wedstrijd.
Bas van KaamMaker van Frame, or Fortune?
Eerst even snel een uitleg, kort werk, of kleinwerk, is het spel rondom de rode en de kleuren dicht bij elkaar. Lang werk is bijv. een longpot, soms op een kleur, om een break te beginnen of door te laten gaan.
1. Warm op, ook je lichaam.
Snooker is een sport, en bij elke sport warm je op. Zwaai twee of drie minuten met je armen, doe een paar jumping jacks, beweeg je vingers en schouders, en speel daarna een beetje warm, maakt niet veel uit hoe. Ik weet hier zelf alles van na twee lastige slijmbeurs ontstekingen.
2. Begin met basisoefeningen, dan pas het rad.
Neem tien minuten of een kwartier voor vaste oefeningen (mag ook langer natuurlijk) rondom bijv.je houding, je keuactie en je concentratie (als je hier oefeningen voor hebt uiteraard), voordat je aan het rad draait of iets anders gaat doen. Train je met een coach, dan helpt hij je vast goed op weg.
3. Mijn vaste: een rondje rond de tafel.
Een hoge en lage zwarte in beide pockets. Een lage en hoge roze naar beide midden pockets, een hoge en lage roze in de corners. Een scherpe blauwe in de corners bij geel en groen. Wit net voorbij blauw (richting roze) en dan geel en groen als recovery shot. Wit recht achter blauw (naar de midden pocket toe), en bruin van zijn spot. Elke bal minstens een keer of vijf.
4. Wissel kort en lang werk af.
Oefen je kleinwerk, gooi dan na een minuut of tien twee longpots tussendoor. Longpots niet meer dan vijf tot tien achter elkaar, dan weer drie of vier rode rond roze en blauw. Begin ook elke line-up, T-line-up of X-drill met een longpot, en mis je rode nummer 10 of 11, leg dan even twee of drie long pots rond zwart neer. Je lichaam (en geest) went aan wat je doet, en in een frame komt die longpot ook ineens.
5. Een line-up is er niet voor een 147.
Het doel is balbeheersing: de ballen die je in het kleine spel het vaakst tegenkomt. Leg een rode boven zwart richting de band, drie rode aan de andere kant van blauw richting bruin, en ook een rode boven bruin die beide kanten op kan. Breaks zijn leuk, bal beheersing gaat het hier om, de hele tafel rond dus.
6. Leer de hele tafel kennen.
Lig ik tijdens een line-up goed op zwart, dan neem ik soms toch roze, omdat ik die net iets vaker mis. Soms begin ik bij blauw, of speel ik het grootste deel op geel, groen en bruin. Uiteindelijk gaat het om je totaal spel.
7. Leg de witte ongeveer terug.
Oefen je een bal van zijn spot, leg de witte met de hand ongeveer terug, maar niet precies dat is nergens voor nodig. In een wedstrijd krijg je ook nooit precies dezelfde bal. Soms helpt het om dat wel te doen, alles precies terug leggen om een bepaalde hoek getraind te krijgen dus sla dat ook zeker niet over, maar de meeste focus zou moeten gaan naar kleine verschillen, waarbij toch iedere keer primair dezelfde type hoek en afstand wordt getraind.
8. Train met de tafel zoals in een wedstrijd.
Leg alle kleuren altijd op hun spot en een paar losse rode erbij, verdeelt over de tafel. Oefen je bruin, gebruik dan bruin en geen rode op die spot, nogmaals, je lichaam en geest gaan dit herkennen en je schiet jezelf in de voet tijdens een wedstrijd. Hetzelfde met het oefenen van longpots op een lege tafel, liever niet. Leg de tafel neer zoals je hem in een wedstijd het vaakst tegenkomt. Leer omgaan met afleiding van andere ballen op tafel, maak het echt.
9. Oefen recovery shots, en de rest.
Wit onder blauw, geel of groen nemen en terugkomen bij de rode tussen roze en zwart, van beide kanten. Kom je goed uit, ga dan meteen door met een klein breekje. En moet je de rest gebruiken, gebruik hem ook, want die oefenen mensen veel te weinig.
10. Er zijn geen makkelijke ballen.
Anders zou je ze altijd potten. Leg vier rode links en rechts van de blauwe spot, pot ze met de banden erbij, als je die nodig hebt in de midden pockets of in een van de corner pockets, en tel elke rode als één punt.
Het zal je verbazen hoe moeilijk het is om er 100, 150 of 200 te maken, want je moet 100, 150 of 200 keer een makkelijke bal potten. Bij nummer 80 of 90 word je toch een beetje zenuwachtig, of je concentratie zakt even weg, dat gebeurt zonder dat je het zelf in de gaten hebt, en dan raak je net een kaakje.
Ik deed er ruim een uur over en kwam op 211. Bij 180 dacht ik nog: ik stop wel bij 250, dat vind ik genoeg. Maar stap voor stap werd mijn concentratie ietsje minder, en nummer 212 miste ik. Net aan.
Met 211 ben ik heel tevreden, en ik ga het niet snel nog een keer proberen, want het is een dodelijk saaie oefening. Maar een of twee keer per maand serieus tussendoor helpt ook mentaal, en daarover gaat deel 2 van deze mini blog series.
Geloof me, die wil je lezen.
In deel 2: een plan, je mentale spel, en wat je doet voor, tijdens en na een wedstrijd.
Klaar om te trainen? Het rad kiest je volgende oefening, gratis en zonder account.
Draai het rad →